Brabants Dagblad, 25 mei 1994
In Brabant kreeg Piet Mondriaan zijn vertrouwen
in de mens terug
'Een onverwoestbaare schoone droom'
Een jaar en negen,dagen precies bracht
Piet Mondriaan door in het Brabantse land. Hij nam zijn intrek
aan de Sint-Jansstraat 27 in Uden. Een jaar waarin hij op de
fiets het toen nog echte platteland doorkruiste, kennis maakte
met de boerenbevolking en zich te goed deed aan hun eenvoudige
hartelijkheid. In Brabant kreeg Mondriaan zijn vertrouwen in
de mens weer terug.
Door Mary Winters
Op 18 januari 1904 arriveerde Piet Mondriaan
bepakt en bezakt in Uden. De volgende dag liet hij zich inschrijven
in het bevolkingsregister: Pieter Cornelis Mondriaan geboren
7-3-1872, Amersfoort, van beroep kunstschilder. Bij zijn aankomst
had hij waarschijnlijk zelf nog niet een vast omlijnd idee over
de duur van zijn verblijf. Het zou een vol jaar worden, op 27
januari 1905 vertrok 'Piet de schilder', voorzien van een grote
hoeveelheid aardappelen, uit Brabant om weer in de grote stad,
in Amsterdam zijn intrek te nemen.
Over 'het Brabantse jaar' van Mondriaan zou zonder Albert van
den Briel weinig bekend geworden zijn. Een tiental werken met
Brabantse molens en boerderijen zouden als bewijs van het verblijf
gediend hebben maar het hoe en waarom van het jaar op het platteland
was dan niet echt 'uit de verf' gekomen.
Albert van den Briel had Mondriaan in 1899 in Amsterdam leren
kennen. Negen jaar jonger dan Mondriaan en student in de medicijnen
en biologie. Zijn ouders woonden in Amsterdam maar waren beiden
Brabander. Vader kwam uit Gemonde en moeder uit Helmond. Ook
Albert was in Brabant, in Aalst geboren. Mondriaan kwam graag
en veel bij de familie van den Briel thuis. De vriendschap tussen
Albert van den Briel en Mondriaan zou tot 1938 heel hecht blijven.
Na de Tweede Wereldoorlog was Albert van den Briel voor de mensen
die meer over Mondriaan en zijn leven wilden weten de aangewezen
persoon. Verschillende bewonderaars onder wie de Franse kunstenaar
M. Seuphor en de Haarlemse verzamelaar J.M.Harthoorn voerden
een uitgebreide correspondentie met Van den Briel. Tot aan zijn
dood in 1971 bleef Van den Briel huiverig al te persoonlijke
details te vertellen en nooit gaf hij iemand gelegenheid de door
Mondriaan aan hem geschreven brieven in te zien. Bij zijn dood
bleek hij de correspondentie zo goed als geheel vernietigd te
hebben. Door de vele brieven die Van den Briel schreef in antwoord
op vragen van onder meer bovengenoemde mensen hebben wij nu enig
idee waarom en hoe dat 'Brabantse jaar' zijn beslag kreeg.
Piet Mondriaan vestigde zich als twintigjarige
in Amsterdam. Op aandringen van zijn vader had hij in Winterswijk,
waar de familie Mondriaan sinds 1880 woonde, zijn lagere en middelbare
akte tekenen gehaald. Vader Mondriaan, zelf een goed tekenaar,
was hoofdonderwijzer van de christelijke lagere school in Winterswijk.
In Amsterdam liet Piet zich inschrijven bij de Rijksakademie.
Drie jaar lang volgde hij daar lessen, daarna vestigde hij zich
als zelfstandig kunstenaar. Het enge kringetje waarin hij aanvankelijk
verkeerde, breidde zich langzamerhand uit. Zo ontmoette hij Simon
Maris, zoon van de Haagse school schilder Willem Maris, en Albert
van den Briel. Met Simon Maris trok hij er op uit om buiten Amsterdam
het landschap te tekenen. Een speciaal geconstrueerde fiets met
zijsteunen om zittend op de fiets toch te kunnen tekenen, diende
als vervoer.
Druppel
Wat
precies de oorzaak van de 'diepe crisis' die de aanleiding vormde
voor het vertrek naar Uden, geweest is, heeft ook Van den Briel
niet duidelijk gemaakt. Hij maakt melding van een anarchistische
groepering, waar Mondriaan in verzeild was geraakt. Ook zouden
er verhalen de ronde doen over een vermeende homoseksualiteit
van de schilder. Maar misschien was de druppel die de emmer echt
deed overlopen wel de verbroken verloving van Mondriaan. Vast
staat dat Mondriaan in de zomer van 1903 een brief in mineur
schreef aan zijn vriend Albert. Deze had inmiddels zijn studie
medicijnen en biologie opgegeven en bereidde zich in Brabant
voor op een studie bosbouw. Albert arrangeerde een ontmoeting
op het station van Den Bosch en vervolgens trokken de twee vrienden
een paar dagen door het gebied rond Nistelrode. Volgens Van den
Briel vielen landschap en mensen bij Mondriaan zeer in de smaak.
Hij schrijft: "M. genoot van wat
hij zag. Stilte, rust. En overvloedig eten. En een keulsche pot
Brabantsch bier er bij cadeau. Hij sliep als een marmot."
In gesprekken tijdens die dagen bleek Mondriaans vertrouwen
in de mensheid ernstig geschaad. Soms was er zelfs een gevoel
van haat te bespeuren. Waarschijnlijk genoot Mondriaan gedurende
die paar dagen intens van de eenvoudige hartelijkheid van de
boerenbevolking op het Brabantse platteland. Hij leerde toen
bijvoorbeeld Hannes Dortmans en zijn vrouw kennen. Zij bewoonden
een klein boerderijtje aan de Vorstenbosseweg in Dinther. In
het jaar dat hij in Uden woonde, kwam hij regelmatig bij hen
thuis. Soms om wat te schilderen maar vaker om een beetje te
praten en wat te eten en te drinken. Hannes en zijn vrouw hielden
in de woonkamer een klein café. Het besluit een poosje
in deze omgeving te gaan wonen is vermoedelijk toen al genomen.
Eind 1903 regelde hij zijn zaakjes in Amsterdam, verkocht een
paar spullen om wat contanten te hebben en huurde van de Joodse
koopman Louis van Zwanenbergh een gedeelte van diens huis in
de Sint-Jansstraat 27 in Uden.
Koffie
Waarom Mondriaan voor Uden koos en niet
voor bijvoorbeeld Nistelrode, is niet bekend. Misschien speelde
de centrumfunctie van Uden een rol. Er waren druk bezochte veemarkten,
er was een winkel in schildersbenodigdheden en de mogelijkheden
kopers voor zijn werk te vinden heeft Mondriaan wellicht ook
voor een grotere plaats doen kiezen. Het hele jaar dat Mondriaan
in Brabant zou blijven, had hij een intensief contact met Albert
van den Briel. Van den Briel verbleef op verschillende plaatsen
in Brabant in verband met zijn bosbouw opleiding. De twee zochten
elkaar zeer geregeld op. Beiden beschikten over een fiets en
vrijwel elke zondag trokken zij er met zijn tweeën op uit.
Het viel Van den Briel op dat Mondriaan veel belangstelling had
voor het landschap maar niet voor de levende have erin. Toen
al had Mondriaan een voorkeur om vormen te schilderen. Een reeks
molens zoals die van Uden, Veghel en Heeswijk ontstond in die
tijd. Opvallend was ook zijn voorkeur voor het schilderen van
de gevels van de Brabantse boerderijen. Verschillende malen tekende
en schilderde hij de in vlakken verdeelde gevels. Met de bevolking
in Uden had Mondriaan niet veel contact. Ook niet met zijn huisbaas
'Lewieke', die volgens Van den Briel toch het beste met hem voorhad.
Anti-joodse gevoelens zouden daarbij een rol gespeeld hebben.
Het best kon Mondriaan opschieten met eenvoudige boerenmensen.
In die tijd leerde hij koffiezetten 'op boerenmanier', waarbij
de gemalen koffie rechtstreeks in het kokende water gegoten wordt.
Een gewoonte die later in Parijs en New York veel opzien baarde.
Kruisbeeld
Iemand bij wie hij graag kwam was Hannes
Kranenbroek, door Van den Briel Hannes van Nistelrode genoemd.
Hij bewoonde een grote boerderij aan de Tramstraat te Nistelrode.
Mondriaan schilderde de oude, eenzame man, die overhoop lag met
de dorpspastoor, in zijn boereninterieur. Ook maakte hij een
schets van de staldeuren en van de boerderij. Het lijkt erop
dat Mondriaan contact met de gevestigde orde vermeed. Zo liet
hij de dokter, de pastoor en de in Nistelrode gevestigde schilder
Hammes, evenals hij afkomstig uit Amsterdam, links liggen. Juist
de vriendschap met de ongecompliceerde boerenbevolking, die hem
volstrekt onbevangen tegemoet trad, deed hem goed. Ook een andere
Hannes, de al eerder genoemde Hannes Dortmans, Hannes van Dinther
genoemd, werd een goede vriend van Mondriaan. In lange gesprekken
gaf de schilder zichzelf bloot, zodanig dat Hannes zich enigszins
zorgen maakte over zijn sombere buien. Om hem te sterken gaf
hij hem op een keer een kruisbeeld, dat gezegend was door de
bisschop van Den Bosch. Het is bekend dat Mondriaan dit kruisbeeld
in ere hield, in Parijs en heel waarschijnlijk ook in New York
had hij dit kruisbeeld aan de wand hangen. Langzamerhand begon
Mondriaan terug te verlangen naar de grote stad. Hij zei zelf
dat schilders "de spanning en wrijving die in de groote
stad optreedt, noodig hebben." Op vrijdag 27 januari
1905 vertrok hij naar Amsterdam. Nooit kwam hij meer in de streek
rond Uden terug. Wel hield hij tot aan zijn vertrek naar Parijs
in 1911 contact met Hannes van Dinther en zijn vrouw Grada. Hij
stuurde hen regelmatig tabak, sigaretten en koek. Zij gaven Albert
van den Briel een keer een ham voor 'Piet de schilder' mee. Tijdens
bezoeken die Albert van den Briel aan zijn vriend Piet Mondriaan
bracht, kwam de laatste regelmatig terug op zijn Brabantse tijd,
als een 'onverwoestbare schoone droom.'
Werk
Het is verleidelijk het in Brabant ontstane
werk in verband te brengen met de latere ontwikkeling van Mondriaan.
Overigens is er waarschijnlijk veel werk verdwenen. Een andere
mogelijkheid is dat Mondriaan in die tijd vooral schetsen maakte
en niet veel uitwerkte. Het Brabantse werk bevat molens, stalinterieurs
en boerderijen. Soms is de locatie bekend, zoals bij de boerderij
van Hannes van Nistelrode en de molen in Heeswijk. Opvallend
is de voorliefde die Mondriaan aan de dag legde voor de vorm
van de dingen. Op zijn composities vind je geen actie, geen personen,
het gaat zuiver om 'het ding' zelf .Deze voorkeur voor vormen
past goed bij zijn latere ontwikkeling tot geometrisch-abstract
schilder. Maar het jaar in Brabant is toch vooral belangrijk
geweest voor zijn ontwikkeling als persoon. Hij kreeg zijn vertrouwen
in de mensheid weer terug. Als een steviger mens keerde hij terug
naar Amsterdam.