Brabants Dagblad
Het vergeten jaar van Mondriaan in Uden
Piet de schilder noemden ze hem
Door Paul Kokke
Het was hartje zomer, half augustus 1903
toen Piet Mondriaan op het station van Den Bosch aankwam. De
schilder was nog steeds moe en vrijwel overspannen. Moe van Amsterdam,
van zijn anarchistische 'vrinden' die hem achtervolgden, van
de mensen in het algemeen die zo anders waren dan hij hoopte
en vooral moe van het kunstenaar zijn. Hij verkeerde in een diepe,
zwarte crisis en had het gevoel dat zijn idealistische kijk op
kunst en wereld hem als los zand door zijn vingers glipte. Het
was Mondriaans eerste bezoek aan Brabant. Op uitnodiging van
zijn jeugdvriend Albert van den Briel, die er ook niet best aan
toe was. Albert was eerder vanuit Amsterdam naar Brabant gevlucht,
nadat hij in Amsterdam zijn studies medicijnen en biologie had
zien mislukken als gevolg van chronische hoofdpijnen. Die mooie
zomer zwierf Mondriaan met Albert door de heidevelden tussen
Heeswijk, Dinther, Veghel, Uden en Vorstenbosch.
Ondanks
alle psychische problemen, was Mondriaan dat betrekkelijk korte
bezoek aan Brabant goed bevallen. Dat merkte hij toen hij weer
in het onrustige Amsterdam was. Hij besloot terug te gaan. Terug
naar het land van de menselijke rust.
Het tweede bezoek
Het beeld van de Udense Sint-Jansstraat
werd rond 1900 nogal gedomineerd door het tramstation van de
lijn Veghel-Oss die door het dorp liep. Mondriaan arriveerde
in Uden op maandag 18 januari 1904. Terug in Brabant en dit keer
voor een langer verblijf. Hij had een helft van een huis gehuurd.
Naast het tramstation, dat tevens hotel-café was. De reden
waarom Mondriaan het dorp Uden verkoos, was vooral een praktische.
Uden was betrekkelijk groot, had veel voorzieningen (een schilderswinkel!)
en lag bovendien aan een spoor- en tramlijn. Zijn contacten met
de lokale bevolking waren echter miniem. Ook die met zijn buurman
en huisbaas Louis van Zwanenbergh, een behulpzame en aardige
veehandelaar. Van Zwanenbergh was jood en met joden had Mondriaan,
dat zou later nog een aantal malen blijken, niet echt veel op.
De boeren
Nee, dan de boeren in en rond Nistelrode.
Mondriaan bezocht ze op de fiets, schildersspullen achterop.
De contacten waren vrijblijvend, maar warm en gemeend. Piet de
Schilder, noemden ze hem. "Onder die boeren was M. als een
broeder die na een lange reis weer teruggekeerd is", schreef
Van den Briel later. "Van 't begin af aan hoorde M. daar
thuis. Van ons beiden was hij, voor die menschen, de hoofdpersoon
(waar ze gelijk in hadden), en een van hen. Een der hunnen, weer
trug in 't schoone brabantsche land, dat zijn kinderen nooit
in de steek laat."
Wat schilderde Mondriaan zoal in het Brabantse?
Natuurlijk molens zoals die van Heeswijk en Uden. En het interieur
van de boerderij van Hannes van Kranenbroek in Nistelrode, door
Mondriaan en Albert steeds Hannes van Nistelrode genoemd. Hannes
werd een beetje door zijn dorpsgenoten genegeerd; hij was niet
de gemakkelijkste en had bovendien ruzie met de pastoor. Mondriaan
zou diens boerderij-interieur meerdere keren vastleggen, naast
enkele andere boerderijen rondom Nistelrode. Ook schilderde hij
stallen en de koeien op het land. Het verblijf in Brabant gaf
Mondriaan eindelijk de rust waar hij zo naar verlangde. Het beviel
hem in deze provincie, ver weg van het onechte Amsterdam. Van
een schapenboer had hij een jonge hond gekregen, die eerst weinig
van zijn nieuwe baas moest hebben. Mondriaan noemde hem Beppie,
naar zijn vriend Albert, en op zijn lange wandelingen met Beppie
dacht hij veel na over het gebruik van bepaalde vormen in zijn
werk; de 'Brabantse' schilderijen laten zich niet alleen lezen
als vrij realistische impressies, maar ook als licht abstracte
composities die al sporen verraden van zijn latere werk. Dan
gaat het om de verhouding van kleurvlakken tot elkaar of de vloeiende
daklijn die de compositie vrijwel horizontaal in tweeën
deelt. Albert van den Briel schreef daarover: "Die overpeinzingen
in Uden zijn waarschijnlijk voor hem de eerste naderingen tot
het veel later non-figuratieve werk. (...) Deze tijd had groote
in vloed op hem: daar is de latere Mondriaan geboren. Vooral
zijn verhouding tot de menschen. Maar de omgang met deze primitieve
figuren (de vrouwen zijn er prachtig van eenvoudige menschelijkheid),
zou in de stad niet bestaanbaar zijn, meende Piet. Daar is de
schil om het innerlijk menschelijke dikker." Mondriaan zou
echter spoedig merken dat die Brabantse rust ook wreed verstoord
kon worden.
Het bezoek
In het jaar vóór zijn vertrek
naar Uden, was Mondriaan voor de zoveelste keer teleurgesteld
in de mensheid; dit keer door een affaire die hem diep raakte
en griefde. Een affaire die hem in het Brabantse nog achtervolgde.
Voor zijn vertrek naar Uden had een van de mannen uit de anarchistische
groepering waar Mondriaan contacten mee had, een welgestelde
joodse homoseksueel in Amsterdam geruchten rondgestrooid over
een verhouding tussen hem en de kunstenaar. Mondriaan leed enorm
onder die geruchten. Hij was enige tijd verloofd geweest, maar
had die relatie verbroken omdat hij vreesde dat die een ongebonden
kunstenaarsleven in de weg zou staan. Dat maakte die geruchten
extra bitter. Op een van die zaterdagen dat hij Mondriaan placht
te bezoeken, trof Van den Briel de kunstenaar in een schier ontredderde
staat aan. Er was bezoek uit Amsterdam, een man die in 'Het Tramstation'
naast zijn huis logeerde. Het was geen goei volk in de ogen van
Albert: hij omschreef de man als 'een verloopen individu; in
alle geval geen recht-uit vent'. De man was dezelfde als degene
die Mondriaans vermeende homoseksualiteit in de wereld had geholpen.
Dit keer besloot Albert als Mondriaans
beschermer wel zeer handelend op te treden. 's Zondags toog Albert
naar het hotel, waar het bezoek aan de borrel zat. Hij troonde
de man mee naar buiten, duwde hem door het gangetje in de tuin
achter Mondriaans huis en vertelde de man "dat hij zoo gauw
mogelijk uit Uden op moest donderen (...) Op een gegeven oogenblik
zag ik dat hij me schoppen wou, en ik was net op tijd dat te
ontwijken. 't Scheelde een haartje. Ik gaf hem een vuistslag
tusschen zijn oogen, en daar lag hij". Eerst had Mondriaan
Van den Briel zijn optreden nogal kwalijk genomen. Maar later
moest hij er om "glimlachen". Het bezoek had Uden in
middels verlaten
De schilder zou na dat incident niet lang
meer in Uden blijven. Zijn geest was ondanks het vervelende voorval
gesterkt en hij begon langzamerhand weer te verlangen naar Amsterdam.
Hij begon geïnspireerde werking die van de stad uit ging
te missen; net als de contacten met kunstenaars en net te vergeten
zijn afnemers.
Op 27 januari 1905 verliet Mondriaan Uden.
Hij was er eigenlijk al langer gebleven dan hij voorzien had,
maar het heilzame verblijf in Brabant had hem goed gedaan. In
zijn bagage bevond zich een deel van de werken die hij gemaakt
had; andere had hij verkocht. Verder had hij veel aardappels
bij zich: kilo's. Allemaal gekregen van de boeren uit Nistelrode
die zijn vrienden waren. Dezelfde boeren die Mondriaans spullen
met de kar van Uden naar Veghel brachten, van waar ze per vrachtboot
over de Zuid-Willemsvaart verder vervoerd zouden worden. De begintijd
in Amsterdam zou echter niet meevallen. De mensen daar gingen
toch anders met elkaar om dan in Brabant, vond hij. En Beppie
zou hij ook niet meer lang bij zich houden. Want een hond op
het atelier, dat was toch geen succes. Dat hij Uden en de streek
rond Nistelrode nimmer terug zou zien, wist hij toen nog niet.